Straatnamen in Emmelhage Fase 2A

De straten en paden van het eerste deel van Emmelhage hebben namen van pioniers, die door de eeuwen heen belangrijke ontdekkingen deden of historisch een grote rol speelden. De straten in de tweede fase hebben namen van mensen die belangrijk zijn geweest bij de inrichting en het ontwerp, archeologisch, bodemkundig of historisch onderzoek in de Noordoostpolder.

Albert Wiggerssingel

Prof. dr. Albert Johan Wiggers was hoogleraar fysische geografie en kwartairgeoloog.
Hij onderzocht de bodem van Nederland en in het bijzonder die van Noordoostpolder. Hiermee bracht hij de onstaansgeschiedenis van het Zuiderzeegebied en de ontwikkeling van de Nederlandse kusten in kaart. Zijn kaarten waren zo gedetailleerd dat ze nog steeds gebruikt worden.

Theodoor Karel van Lohuizensingel

Theodoor Karel van Lohuizen maakte het plan voor de Noordoostpolder en schreef voor de stad Emmeloord en elk dorp een sociografisch onderzoek, waarin hij uitlegde wat en hoe moest worden gebouwd. De nieuwe bevolking van de polder moest een afspiegeling worden van de bevolking van Nederland. Dit was voor die tijd een bijzondere werkwijze, Van Lohuizen was één van de eersten die op deze manier werkte. Ook stelde hij richtlijnen op voor de locaties waar landbouwbedrijven, winkels en kerken gebouwd werden.
Hij schatte in dat in de polder uiteindelijk 30.000 mensen konden wonen, waarvan 16.000 tot 20.000 in de dorpskernen en maximaal 10.000 in Emmeloord.

Cornelis Lelyhage

Ir. Cornelis Lely werkte bij Rijkswaterstaat was waterbouwkundig ingenieur, minister, gouverneur van Suriname en politicus. De Zuiderzeewerken zijn bijna helemaal uitgevoerd volgens zijn plannen om de Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk in te polderen. In 1918 ging het Nederlandse Parlement akkoord met de Zuiderzeewet die hij had ingediend.

Gerrit van der Heidehage

Gerrit Daniel van der Heide was van oorsprong journalist en werkte voor de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Hij woonde 25 jaar in de pastorie op Schokland en richtte daar het oudheidkundig museum in, met verzamelingen op het gebied van geologie, biologie en scheepsconsstructies. Hij coördineerde tussen 1946 en 1974 alle opgravingen in de Noordoostpolder. Verder was Van der Heide ook beheerder van het scheepsarcheologisch museum in Ketelhaven tot maart 1974. Werd de belangrijkste specialist op het gebied van scheepsarcheologie en schreef meer dan 400 publicaties. Hij was 40 jaar voorzichter van de Commissie Van der Lijn, die de geologische collectie van Pieter van der Lijn beheerde. De Vrienden van Schokland introduceerden de Gerrit Daniël van der Heide prijs. Deze wordt uitgereikt aan het mooiste schoolwerkstuk over een onderwerp uit het voormalige Zuiderzeegebied.

Sikke Smedingsingel

Ir. Sikke Smeding was de eerste directeur van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders en Landrost van het Openbaar Lichaam de Noordoostelijke Polder. De landbouwwetenschap in de Noordoostpolder ontwikkelde sterk onder zijn leiding en hij publiceerde veel over ‘Het nieuwe land’. Hij ontving in maart 1948 het eredoctoraat in de landbouwkunde van de Landbouwhogeschool in Wageningen.

Wies Kreukniethage

Louise (Wies) Kreukniet – Van IJsselstein was amateurarcheologe in de Noordoostpolder. Ze werkte vanaf 1984 op kavel P14 mee aan archeologische opgravingen bij Schokland.
Ze werd later veldcoördinator bij de AWN, de vereniging Archeologische Werkgroep voor Nederland, die de werkzaamheden van amateurarcheologen in Nederland coördineert en begeleidt. Wies Kreukniet bracht het grootste aantal archeologische vondsten van de Noordoostpolder bij elkaar in een collectie. Hiermee heeft zij een grote bijdrage geleverd aan de kennis over de bewoningsgeschiedenis van de Noordoostpolder. Haar collectie is, na haar overlijden in 2017, in beheer gegeven bij het Provinciaal Depot voor bodemvondsten (onderdeel van NieuwLandErfgoed) in Lelystad.

Pieter Moddermanpad

Prof. Dr. Pieter Jan Remees Modderman is één van Nederlands bekendste archeologen. Hij was directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, hoofd van de afdeling archeologie bij de Rijksuniversiteit Groningen en hoogleraar prehistorie. In 1942 leidde hij de eerste archeologische opgraving naar een scheepswrak (vindplaats NM 107) in de Noordoostpolder en stond daarmee aan de wieg van de scheepsarcheologie. Dit wrak kreeg de bijnaam ‘de kogge van Modderman’. Dit wrak was het eerste dat in Flevoland systematisch werd onderzocht en het eerste scheepswrak in Europa dat geïdentificeerd werd als kogge. Van het scheepswrak zijn twee modellen gemaakt om de romp te reconstrueren.

Straatnamen Emmelhage Fase 2B

Het voorstel is om namen te gebruiken van mensen die vooral met de inrichting, het ontwerp en het onderzoek (historie, geologie, hydrologie, bodem, natuur en archeologie) van Noordoostpolder te maken hebben gehad. Dit sluit aan bij de straatnamen van Fase 1 en 2A.
Twee straatnamen zijn een voortzetting van de straatnamen uit Fase 1 en 2A. De John Daltonhage en Abel Tasmanpad worden voortgezet naar Fase 2B.

 

Emmelhage fase 2B

Straatnamen Fase 2B

Titia Kooistrahage

Titia Wietske Kooistra 1913-1993, biologe, heeft in haar studiejaren (1927-1933) flora inventarisaties op Schokland uitgevoerd. Hoewel het woord ecologie in die tijd nog niet bestond, werd er veel belang gehecht aan het onderzoek naar en de inventarisatie van de flora en fauna op de Zuiderzee-eilanden in relatie tot het veranderende milieu. Titia W. Kooistra publiceerde na haar bezoek aan Schokland in 1934 het overzicht van de flora-inventarisaties van het eiland. Ze vermeldde daarbij tevens soorten die voorheen nog niet gevonden waren.

Na haar afstuderen in 1936 trouwde ze met dr. Martin Gerard Rutten (1910 – 1970) die al vroeg lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie was. Hij werd in 1936 aangesteld als geoloog in dienst van de Bataafse Olie Maatschappij in Centraal Java en daarna in Zuid Sumatra. Hij werd daarna algemeen hoogleraar geologie aan de Universiteit van Amsterdam. Het waren jaren waarin gehuwde vrouwen – en zeker niet vrouwen met kinderen –  niet geacht werden een beroep uit te oefenen. Van 1953 tot 1972 gaf Titia biologie in Amersfoort en Utrecht.

Toornhage

Jacob van der Toorn 1828-1888, hoofdingenieur bij Rijkswaterstaat. In 1886 werd de Zuiderzeevereniging opgericht, waar Van der Toorn het eerste jaar leiding gaf aan het technisch bureau. Op voorspraak van Van der Toorn werd Cornelis Lely aangesteld als diens assistent. Samen werkten zij het plan Lely uit voor de bouw van de Afsluitdijk. De heren hebben samen ook bodemkundig onderzoek verricht naar de bodem van de Zuiderzee. Na het vertrek van Van der Toorn werd hij opgevolgd door Lely.

Van der Molenhage

Wiebe van der Molen 1922-2014, hydroloog en hoogleraar Agrohydrologie aan de Wageningen Universiteit. Hij heeft onderzoek gedaan naar het zoutgehalte in de bodem van de Noordoostpolder.

Hellingahage

Wytze Tjeerd Hellinga 1915-1991, amateur-geoloog en houthandelaar uit Muiderberg. De collectie van der Lijn werd uitgebreid met de moeder- en zwerfsteencollectie van Hellinga. In samenwerking met Gerrit van der Heide schreef Wietse Hellinga het boek ‘zwerfstenen’. Hij heeft aan de wieg gestaan van het tot stand komen van de Gesteentetuin. Dit vanwege de kwetsbaarheid van het Geologisch Reservaat P. van der Lijn bij Urk. Wietse Hellinga heeft de grootste geologische collectie van Nederland bijeengebracht. Hij heeft er voor gezorgd dat de grootste verzameling Rhombenporfieren ter wereld in Museum Schokland ligt. Daarnaast heeft hij de geologische cursussen opgezet bij Museum Schokland.

Adriaan Volkerlaan

Adriaan Volker 1917-2000, hydroloog, voormalig hoofdingenieur voor bijzondere diensten van Rijkswaterstaat en buitengewoon hoogleraar Hydrologie aan de Technische Universiteit in Delft. In 1940 begon hij zijn loopbaan bij de Dienst Zuiderzeewerken, waar hij onderzoek deed naar het zoutgehalte in de bodem en de verdamping rondom de Zuiderzee. Hij initieerde en werkte mee aan tal van (onderzoeks)activiteiten voor de aanleg van de nieuwe IJsselmeerpolders en het toekomstige beheer van het IJsselmeer.

Boelenshage

Bernard Boelens 1902-1969, amateur-geoloog, grafdelver en leraar. De collectie van der Lijn werd na de oprichting van de Commissie van der Lijn uitgebreid met de kalksteen fossielencollectie van Boelens. Vanaf 1943 was Boelens rapporteur van archeologische vondsten in de Noordoostpolder, daarnaast was hij een internationaal expert op het gebied van zwerfstenen. Hij heeft meer dan 2700 fossielen een naam gegeven. Een groot deel van zijn collectie ligt in Museum Schokland, maar er ligt ook een deel in het Natural History Museum in Londen. Kort na de 2e Wereldoorlog is hij de stuwende kracht geweest achter de oprichting van de Nederlands Geologische Vereniging. Niet alleen geologie had zijn belangstelling, ook de natuur en sterrenkunde.

Van der Lijnhage

Pieter van der Lijn 1870-1964, amateur-geoloog. Bij de drooglegging van de Noordoostpolder kwam een groot keienveld tevoorschijn, bezaaid met miljoenen zwerfstenen. Het was de heer Pieter van der Lijn die het idee kreeg om een gedeelte te beschermen als Geologisch Reservaat. De eerste vondsten uit dit gebied bestemde hij voor een toekomstig museum. In 1953 werd besloten om 5 hectare te beschermen als Geologisch Reservaat, genoemd naar de grondlegger P. van der Lijn.

De heer van der Lijn is de grondlegger van de Nederlandse amateurgeologie, schrijver van het “Keienboek” en mede-oprichter en eerste voorzitter van de Nederlandse Geologische Vereniging (NGV).

Hij heeft een collectie van meer dan 1000 zwerfstenen opgebouwd, die samen met zijn bibliotheek, tekeningen en foto’s van allerlei geologische fenomenen werd geschonken aan de gemeente Noordoostpolder. In 1970 werd de kalksteencollectie (fossielen) van de heer B. Boelens hier bijgevoegd zodat twee goed aanvullende collecties in het museum aanwezig zijn. Tenslotte heeft de heer W.Tj. Hellinga het grootste deel van het catalogiseren en het verder uitbouwen van de collecties gerealiseerd. De collecties worden beheerd door de Commissie Van der Lijn-Boelens-Hellinga. De commissie heeft als doel het vergroten van de kennis van de geologie van Nederland in het algemeen en van zwerfstenen in het bijzonder.

In 1983 besloot de gemeente Noordoostpolder in overleg met de Commissie tot het instellen van de ‘P. van der Lijn-onderscheiding’ en deze te verlenen aan een amateurgeoloog die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor de geologie in Nederland.

 

.